Netherlands

Het is positief dat Nederland partij is bij de meeste relevante internationale en regionale instrumenten, maar er zijn een aantal hiaten in het landelijke wettelijke kader om staatlozen te beschermen en staatloosheid te voorkomen. De definitie van een staatloos persoon volgens de Nederlandse wet is nauwer dan in het Verdrag van 1954, en zonder een procedure om staatloosheid of een status vast te stellen, is er beperkte bescherming voor staatlozen in het land. Momenteel kan staatloosheid alleen geïdentificeerd worden door middel van andere administratieve procedures. Indien geïdentificeerd, ontvangen staatlozen met verblijfsrecht een reisdocument en hebben ze toegang tot vereenvoudigde naturalisatie, maar er is geen weg naar bescherming van staatlozen zonder verblijfsrecht. Het Nederlandse parlement heeft wetgeving goedgekeurd waarmee een gerechtelijke procedure wordt ingevoerd om staatloosheid vast te stellen (die vanaf 1 oktober 2023 van kracht wordt), al leidt dit niet tot een verblijfsrecht. De wet bevat weliswaar enige bescherming en waarborgen tegen willekeurige detentie, maar in de praktijk wordt vreemdelingenbewaring toegepast, en staatlozen zonder verblijfsvergunning lopen het risico op opsluiting.

De Nederlandse nationaliteitswetgeving bevat waarborgen om staatloosheid te voorkomen bij vondelingen en geadopteerde kinderen. De waarborg voor kinderen die in Nederland staatloos worden geboren is echter niet automatisch van kracht. Tot voor kort vergde het registratie als staatloos persoon en drie jaar verblijfsrecht voordat een kind de Nederlandse nationaliteit kon verkrijgen, al maakt een amendement op de Nederlandse wet op het Nederlanderschap, goedgekeurd door het parlement in mei 2022, het mogelijk dat staatloze kinderen zonder verblijfsrecht in Nederland na vijf jaar op een 'stabiele en gebruikelijke' verblijfplaats voor de Nederlandse nationaliteit kunnen opteren. Kinderen van een ongetrouwde Nederlandse vader en een buitenlandse moeder zijn ook in het nadeel. De wet  voorziet in universele, onmiddellijke geboorteaangifte, en alle kinderen krijgen een geboorteakte; maar ouders zonder verblijfsrecht of essentiële documenten kunnen obstakels tegenkomen en de procedure voor verlate aangifte van een geboorte is ingewikkeld.

Laatst bijgewerkt: 
feb 2023
Landenexpert(s): 

Robin van Oene, ASKV

Aanvullende middelen

Evaluatietoets

++Positief
+ Redelijk positief
+-Positief en negatief
- Redelijk negatief
--Negatief

Aanvullende info

-Normen en good practices

 

Internationale en regionale instrumenten

Evalueert of landen partij zijn bij de relevante internationale en regionale instrumenten, inclusief of voorbehouden invloed hebben op staatloosheid, en of instrumenten zijn opgenomen in de nationale wetgeving. De vier belangrijkste verdragen over staatloosheid (Verdrag betreffende de status van staatlozen uit 1954; Verdrag tot beperking der staatloosheid uit 1961; Europees Verdrag inzake nationaliteit; Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen van staatloosheid met betrekking tot statenopvolging) leggen bij de beoordeling meer gewicht in de schaal dan andere relevante mensenrechteninstrumenten.

Nederland heeft een sterke reputatie wat betreft toegang tot de relevante mensenrechteninstrumenten. Het is partij bij alle vier de belangrijke verdragen betreffende staatloosheid, al heeft het voorbehouden betreffende het Verdrag van 1954. Nederland heeft echter toegezegd deze voorbehouden in te trekken en een wet inzake deze intrekking wordt 1 oktober 2023 van kracht. De Nederlandse staat is partij bij alle andere relevante regionale en internationale verdragen, behalve bij het Verdrag inzake de rechten van migrerende werknemers. De voorbehouden bij het Verdrag inzake de rechten van het kind hebben geen directe invloed op staatloosheid, maar kunnen invloed hebben op staatloze kinderen in het land.

  • Nederland is partij bij het Verdrag van 1954 en het heeft rechtstreekse werking. Het land heeft voorbehouden betreffende de artikelen 8 en 26, maar een wetsvoorstel betreffende het intrekken van deze voorbehouden is in mei 2022 door de Tweede Kamer aangenomen en ligt momenteel bij de Eerste Kamer.
  • Nederland is zonder voorbehoud partij bij het Verdrag van 1961 en het verdrag heeft rechtstreekse werking.
  • Nederland is partij bij de meeste relevante internationale en regionale verdragen, maar heeft bepaalde voorbehouden.
  • Het voorbehoud betreffende artikel 7 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit heeft bijvoorbeeld invloed op staatloosheid van kinderen. De voorbehouden betreffende het Verdrag inzake de rechten van het kind, inclusief het recht op wettelijke vertegenwoordiging, leeftijd van meerderjarigheid en toegang tot sociale zekerheid, beïnvloeden staatloosheid niet rechtstreeks maar kunnen invloed hebben op staatloze kinderen in Nederland.
  • Nederland is geen partij bij Verdrag inzake de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden.

Gegevens staatloze bevolking

Onderzoekt de beschikbaarheid en bronnen van uitgesplitste bevolkingsgegevens over staatloosheid. Geeft recente cijfers en beoordeelt de betrouwbaarheid van maatregelen die landen hebben getroffen om staatlozen te tellen, waaronder in een volkstelling, bevolkingsregisters en migratiedatabases. Stelt vast of staatloosheid in het land in kaart is gebracht en of er effectieve maatregelen zijn om staatlozen in detentie te tellen.

De Nederlandse nationale statistische database bevat bepaalde uitgesplitste gegevens over de staatloze bevolking, maar door tegenstrijdigheden in hoe nationaliteit en staatloosheid worden geregistreerd en het gebrek aan een doeltreffend mechanisme om staatlozen in het land te identificeren, wordt het aantal staatlozen zeer waarschijnlijk onderschat. UNHCR rapporteert overheidscijfers betreffende staatlozen in Nederland. Er zijn overzichtsstudies over staatlozen uitgevoerd door ngo's en UNHCR.

  • Er zijn tegenstrijdigheden in hoe nationaliteit en staatloosheid geregistreerd worden in de Nederlandse nationale statistische database (StatLine). De twee categorieën 'staatloos' en 'onbekende nationaliteit' worden soms gecombineerd en soms apart gerapporteerd. Gegevens in StatLine worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht en jaarlijks bijgewerkt. In 2022 waren in totaal 31.517 mensen als 'staatloos’ of met 'onbekende nationaliteit' geregistreerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek .
  • Met de kanttekening dat het precieze aantal staatlozen in Nederland niet bekend is, rapporteert UNHCR overheidscijfers betreffende de staatloze bevolking; in 2019 werd geschat dat er zo'n 13.000 mensen geregistreerd waren als 'staatloos' en 43.000 met 'onbekende nationaliteit'. Er is ook een onbekend aantal staatlozen zonder verblijfsvergunning. Het Global Trends Report van UNHCR in 2021 vermeldt 4.574 staatlozen, met inbegrip van gedwongen ontheemden.
  • Asielstatistieken verstrekken enigszins uitgesplitste gegevens over aanvragen door staatlozen. In 2022 werden er 39 eerste asielaanvragen ingediend door staatlozen, 1.113 aanvragen door mensen met 'onbekende nationaliteit', en 32 aanvragen door mensen uit 'Palestijns bezet gebied', van de in totaal 35.535 aanvragen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek vermeldt het aantal staatlozen dat voor de eerste keer een verblijfsvergunning krijgt, per jaar en per type vergunning. In 2021 kregen 555 staatlozen een asielvergunning (ter vergelijking: in 2015 waren dit er 4.390); 200 staatlozen kregen een verblijfsvergunning op andere gronden. In 2022 arriveerden 370 staatlozen en 140 personen met 'onbekende nationaliteit' in Nederland vanwege gezinshereniging. In 2021 verkregen 4.916 staatlozen / mensen met 'onbekende nationaliteit' de Nederlandse nationaliteit.
  • Er zijn diverse onderzoeken naar staatloosheid en studies voor het in kaart brengen van staatloosheid uitgevoerd door ngo's en UNHCR.
  • Nog niet eerder gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek tonen een toename van het aantal mensen dat in Nederland als staatloos geregistreerd staat. Dit gaat van 2.005 in januari 2012 naar 12.869 in januari 2019. Deze cijfers werden in juni 2019 door de Nederlandse media gepubliceerd.
  • Het gebrek aan een vaststellingsprocedure voor staatloosheid betekent dat het onduidelijk is wie is opgenomen in de gerapporteerde cijfers, en waarschijnlijk is er sprake van onderrapportage.
  • In 2021 werden er 2.929 mensen in vreemdelingenbewaring genomen, met een gemiddeld verblijf van 34 dagen. Gegevens van het Ministerie van veiligheid en justitie laten zien dat in 2021 30 mensen met 'onbekende nationaliteit' en 10 met een 'Palestijnse' nationaliteit in vreemdeligenbewaring terechtkwamen (afgerond op tientallen). Meer gegevens over staatlozen in vreemdelingenbewaring zijn er niet. Een rapport van de Ombudsman, gepubliceerd in 2020, vermeldt dat in de praktijk een (onbepaald) aantal mensen regelmatig opnieuw in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst omdat ze niet meewerken of omdat het land van herkomst de persoon weigert terug te nemen. De overheid heeft geen verdere informatie gepubliceerd over staatloosheid of onverwijderbaarheid.

Vaststelling van staatloosheid en status

Identificeert of landen in hun nationale wetgeving een staatloze definiëren overeenkomstig het Verdrag van 1954 en of ze een speciale vaststellingsprocedure voor staatloosheid hebben die leidt tot een speciale staatloze status. Als er geen speciale vaststellingsprocedure voor staatloosheid is, wordt beoordeeld of er andere procedures zijn waarmee staatloosheid kan worden vastgesteld of mogelijk andere wegen waarlangs staatlozen hun verblijf of toegang tot hun rechten kunnen regulariseren. Landen worden onderverdeeld in drie groepen, om een vergelijking mogelijk te maken tussen landen met een speciale vaststellingsprocedure voor staatloosheid die leidt tot bescherming, landen met andere procedures en landen met een staatloze status maar zonder duidelijk mechanisme voor toegang tot bescherming. De bestaande procedures voor en toegekende rechten aan staatlozen worden onderzocht en getoetst aan internationale normen en goede praktijken.

Er bestaat een definitie van staatloze in de Nederlandse wet, maar die is iets enger dan de definitie van het Verdrag van 1954 en er is geen specifieke vaststellingsprocedure voor staatloosheid. Momenteel zijn er slechts twee mogelijke administratieve procedures voor mensen om als staatloos geregistreerd te worden, afhankelijk van het feit of ze legaal in het land verblijven. Beide procedures hebben aanzienlijke hiaten in termen van toegang, en gebreken in het beoordelingsproces; geen van beide procedures leidt tot de rechten en bescherming van het Verdrag van 1954. Identificatie van een staatloze persoon leidt niet tot recht op verblijf, al krijgt een legaal verblijvende staatloze met een registratie als 'staatloos' wel een reisdocument en een vereenvoudigde toegang tot naturalisatie. Het Nederlandse parlement heeft wetgeving goedgekeurd waarmee een juridische procedure voor het vaststellen van staatloosheid wordt ingevoerd (deze wet is nog niet van kracht), maar de vaststelling van staatloosheid leidt onder het huidige voorstel niet tot een verblijfsrecht.

  • De definitie van staatloze in Nederland is iets enger dan die van het Verdrag van 1954: een staatloze is iemand die door geen enkele staat als onderdaan wordt beschouwd ‘krachtens diens wetgeving’ in plaats van ‘onder de werking van diens wetgeving’. De zinsnede ‘under the operation of its law' uit de oorspronkelijke Engelse tekst van het Verdrag van 1954 verduidelijkt dat bij het beantwoorden van de vraag of iemand staatloos is, niet alleen gekeken moet worden naar de louter juridische aspecten van de wetgeving van een staat, maar ook naar hoe een staat zijn nationaliteitswetten in de praktijk toepast binnen een specifieke situatie.
  • Er is geen informatie beschikbaar over cursussen over staatloosheid die specifiek gericht zijn op overheidsinstanties en ambtenaren. Er zijn algemene trainingen over staatloosheid beschikbaar, die soms ook door rijksambtenaren worden bijgewoond. De afgelopen jaren hebben ENS-leden verschillende trainingen over staatloosheid gegeven, waaraan ambtenaren van lokale overheden en van de nationale overheid (bijvoorbeeld gemeentelijke werknemers, immigratiefunctionarissen, enz.), en advocaten hebben deelgenomen.
  • Nederland kent geen speciale vaststellingsprocedure voor staatloosheid. Hoewel staatloosheid kan worden vastgesteld via andere administratieve procedures, zijn er aanzienlijke hiaten in deze procedures.
  • Het Nederlandse parlement heeft in 2023 nieuwe wetgeving aangenomen ten aanzien van staatloosheid in Nederland die 1 oktober 2023 van kracht wordt. Onder de nieuwe wetgeving zal een juridische procedure worden ingevoerd om staatloosheid vast te stellen, terwijl bestuursorganen gevallen van ‘evidente staatloosheid’ kunnen vaststellen. Hoewel het een positieve stap is, leidt de voorgestelde procedure niet tot een specifieke beschermingsstatus noch tot verblijfsrechten voor personen van wie vastgesteld is dat ze staatloos zijn.
  • Hoewel er in Nederland nog geen speciale vaststellingsprocedure voor staatloosheid bestaat, zijn er andere administratieve procedures waarmee staatloosheid kan worden vastgesteld.
  • Mensen die legaal in Nederland verblijven, kunnen als staatloos in de Basis Registratie Personen (BRP) worden geregistreerd; dit kan op basis van identiteitspapieren die staatloosheid bewijzen of van een verklaring van de minister van Justitie en Veiligheid via de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst. De BRP-procedure is echter niet méér dan een registratieprocedure die al vastgestelde gegevens over mensen vastlegt. De procedure beoordeelt geen bewijs van nationaliteit anders dan een standaardpaspoort of een eenvoudige regel van nationaliteitsrecht, en er zijn problemen met hoe de procedure in de praktijk wordt uitgevoerd, wat leidt tot aanzienlijke lacunes in bescherming. Registratie als staatloze in de BRP geeft een staatloze enkele aanvullende wettelijke rechten (bijvoorbeeld een reisdocument en versnelde toegang tot de Nederlandse nationaliteit).
  • Een andere procedure waarmee staatloosheid kan worden geïdentificeerd, is registratie in de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, waarmee staatlozen zonder legaal verblijf kunnen worden geregistreerd terwijl ze in de procedure zitten, hoewel registratie geen wettelijke rechten oplevert en gewoon een registratiedatabase is die intern binnen overheidsinstellingen wordt gebruikt.
  • Staatlozen kunnen toegang krijgen tot de beschikbare procedures voor een verblijfsvergunning op basis van andere toepasselijke gronden (asiel, gezinsleven, medische gronden, procedure ‘buiten schuld’, enz.) maar als hun staatloosheid niet wordt geïdentificeerd of vastgesteld, kunnen twijfels over hun identiteit en (het ontbreken van een) nationaliteit de uitkomst van de procedure om hun verblijf te reguleren ondermijnen.
  • Wanneer geïmplementeerd leidt de nieuwe wet tot invoering van een juridische procedure voor het vaststellen van staatloosheid, terwijl bestuursorganen gevallen van 'evidente staatloosheid' kunnen vaststellen.
  • De Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND) kan iemand als staatloos registreren in de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) of verwijzen naar de Basis Registratie Personen (BRP), maar er zijn geen wettelijke verplichtingen voor de autoriteiten om een in een andere procedure ingediende claim wegens staatloosheid in behandeling te nemen en er is geen specifieke beschermingsstatus.
  • Een onafhankelijke beoordeling van staatloosheid vindt niet plaats tijdens de asielprocedure, hoewel de IND de verantwoordelijkheid heeft om de identiteit en nationaliteit zo goed mogelijk te beoordelen bij de beslissing over de ontvankelijkheid van een claim. Een verwijzingsmechanisme tussen procedures is voorzien in de nieuwe wetgeving betreffende speciale vaststellingsprocedures voor staatloosheid die momenteel in het parlement voorligt.
  • Een asielprocedure en een vaststelling van staatloosheid mogen niet gelijktijdig worden beoordeeld. Een verzoek tot vaststelling van staatloosheid is niet ontvankelijk wanneer een asielprocedure loopt, en wanneer een asielverzoek wordt ingediend terwijl een besluit tot vaststelling van staatloosheid loopt, zal de rechtbank Den Haag de vaststelling van staatloosheid uitstellen.
  • De regels voor registratie van de nationaliteit in de BVV zijn niet wettelijk geregeld, maar er is een intern administratief protocol dat beschrijft hoe een breed scala aan bewijsmateriaal (bijvoorbeeld getuigenverklaringen of taaltoetsen) moet worden gebruikt.
  • Er zijn in eerste instantie geen landelijke instructies voorhanden over hoe en wanneer een registratie voor staatloosheid moet worden aangevraagd. Een wettig verblijvende staatloze kan zijn gemeente vragen om hem als staatloos te registreren als hij over relevante documenten beschikt, maar gemeenten voeren de procedure verschillend uit en er wordt in eerste aanleg geen bijstand verleend om mensen te informeren hoe en wanneer ze om registratie als staatloze moeten vragen. Het onderzoek van het bewijsmateriaal wordt lokaal uitgevoerd door de gemeente, die de IND kan vragen naar haar mening over de nationaliteit van een persoon. Er is in de wet voorzien in samenwerking tussen de IND en gemeenten, maar dit is niet consistent. Gemeenten werken in toenemende mate samen met UNHCR en andere (niet-gouvernementele) actoren om de registratie van staatlozen op lokaal niveau te verbeteren en in eerste instantie aanvullende informatie te verstrekken aan staatlozen.
  • In de wetgeving die 1 oktober 2023 wordt geïmplementeerd wordt een vaststellingsprocedure voor staatloosheid ingevoerd, waarbij staatlozen die doorgaans in Nederland wonen bij de rechtbank in Den Haag een verzoek kunnen indienen om hun staatloosheid vast te stellen. In gevallen van 'evidente staatloosheid' kunnen bestuursorganen, waaronder de BRP, staatloosheid vaststellen.
  • De bewijslast bij de registratie als staatloze in de BRP ligt bij de aanvrager. Gemeenten kunnen aanvragers echter bijstaan en zoeken steeds vaker naar manieren om staatlozen te helpen bij hun registratie in de BRP.
  • De bewijsnorm is hoger dan in asielprocedures: de aanvrager moet documenten overleggen om staatloosheid te bewijzen. Er zijn gevallen waarin staatloosheid kan worden geregistreerd zonder bewijsstukken op basis van nationaliteitswetten, bijvoorbeeld als de moeder haar nationaliteit niet aan het kind kan overdragen.
  • Om te helpen met de registratie kan de gemeente informatie opvragen bij de IND. De IND en gemeenten hanteren verschillende interne instructies en beleidsregels voor registratie. De IND heeft bijvoorbeeld een speciale instructie over het identificeren en registreren van staatloze Palestijnen. Ambtenaren in de gemeenten hebben een eigen handboek voor de registratie van personen in de BRP, waarvan een hoofdstuk gewijd is aan nationaliteit (inclusief staatloosheid).
  • Gemeenten beschikken echter niet over voldoende middelen om complexe gevallen van staatloosheid te beoordelen.
  • In de wetgeving die later in 2023 geïmplementeerd wordt, wordt bestuursorganen, waaronder de BRP, alleen in gevallen van ‘evidente staatloosheid’ toegestaan om staatloosheid vast te stellen. Het begrip ‘evidente staatloosheid’ is restrictief gedefinieerd en omvat slechts beperkte categorieën, namelijk personen waarvan de staatloosheid door een ander land is vastgesteld, staatloze kinderen die in Nederland zijn geboren bij staatloze ouders, kinderen die in Nederland zijn geboren van wie de vader onbekend of staatloos is en van wie de moeder de nationaliteit heeft van een staat waar alleen vaders de nationaliteit kunnen doorgeven, en personen die enkel de nationaliteit bezitten van een niet-erkend land. De vrijheid voor BRP-functionarissen om zelf staatloosheid te registreren, wordt aanzienlijk kleiner.
  • Er zijn geen kosten verbonden aan de registratieprocedure als staatloze in de BRP. Er is gratis rechtsbijstand beschikbaar om een beslissing aan te vechten bij de rechtbank wanneer de aanvrager de proceskosten niet kan betalen.
  • Er is geen mogelijkheid om staatloosheid te claimen tijdens een formeel interview. Om een BRP-registratie te veranderen in 'staatloos' moet de persoon naar het Loket van de betreffende gemeente gaan en de nodige documenten als bewijs meenemen. In de meeste gevallen is het mogelijk om vooraf een afspraak te maken. Er is geen tolk beschikbaar, hoewel de persoon iemand mee kan nemen om taalondersteuning te bieden.
  • De algemene regels van de administratieve procedure zijn van toepassing op de beslissingen en op het recht van beroep bij de registratie van staatloosheid in de BRP-procedure. Besluiten tot registratie worden meestal niet gemotiveerd, maar weigeringen wel.
  • Identificatie en registratie als staatloze leidt niet tot een verblijfsvergunning of een officiële rechtspositie, aangezien staatloosheid in het Nederlandse recht slechts een categorie is in nationaliteitsdossiers en geen immigratie-of beschermingsstatus. Het huidige systeem voor de registratie van persoonsgegevens staat alleen registratie toe van personen die al recht op verblijf in Nederland hebben. Registratie als staatloze in de BRP geeft recht op een reisdocument en versnelde toegang tot de Nederlandse nationaliteit (na drie jaar legaal verblijf, tegen gereduceerde kosten, en van het paspoortvereiste wordt afgezien).
  • Staatlozen met een verblijfsvergunning hebben recht op werk, gezondheidszorg, sociale zekerheid, onderwijs en stemrecht bij lokale verkiezingen (maar de Nederlandse nationaliteit is vereist om te stemmen bij nationale verkiezingen). Het recht op gezinshereniging en huisvesting is afhankelijk van het type verblijfsvergunning dat de persoon bezit.
  • Staatlozen zonder verblijfsdocument hebben deze rechten niet, en ook geen toegang tot een verblijfsvergunning of reisdocument. Iedereen in Nederland, inclusief migranten zonder papieren en staatlozen, ongeacht hun verblijfsstatus, heeft toegang tot de noodzakelijke gezondheidszorg.
  • De nieuwe wetgeving inzake de instelling van een vaststellingsprocedure voor staatloosheid bepaalt dat vaststelling van staatloosheid niet leidt tot verblijfsrechten. In de wetgeving wordt het recht op een identiteitskaart ingevoerd bij de vaststelling van staatloosheid, maar de kaart zal vermelden dat deze geen verblijfsrechten met zich meebrengt.
  • Iedereen die de oorlog in Oekraïne ontvlucht, kan Nederland binnenkomen, maar de registratieprocedure hangt af van de vraag of de persoon identificatiedocumenten heeft. Mensen zonder papieren kunnen zich registreren, maar hun identiteit moet worden vastgesteld.
  • Onder de EU-richtlijn Tijdelijke Bescherming biedt Nederland tijdelijke bescherming aan mensen die de oorlog in Oekraïne ontvluchten. Bescherming wordt verleend aan staatlozen die op 23 februari 2022 internationale bescherming of een andere vorm van tijdelijke nationale bescherming in Oekraïne hadden, of die een geldige verblijfsvergunning in Oekraïne hadden (ongeacht het type verblijfsvergunning), en hun gezinsleden. Personen met een tijdelijke verblijfsvergunning komen ook in aanmerking voor tijdelijke bescherming, mits zij zich vóór 19 juli 2022 hebben ingeschreven bij een Nederlands gemeentehuis.
  • Vanaf 4 september 2023 krijgen personen die een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne hadden, geen tijdelijke bescherming meer.
  • Er zijn geen openbare rapporten over belemmeringen voor staatlozen uit Oekraïne bij de toegang tot bescherming.

Detentie

Analyseert de wetgeving, het beleid en de praktijk met betrekking tot vreemdelingenbewaring in het algemeen, maar met de nadruk op de bestaande bescherming om willekeurige detentie van staatlozen tijdens uitzettings- en deportatieprocedures te voorkomen. Subthema's onderzoeken gebieden zoals de identificatie van staatloosheid en de beoordeling of er een redelijk vooruitzicht is op uitzetting, procedurele waarborgen zoals tijdslimieten, rechterlijk toezicht en effectieve rechtsmiddelen, evenals de rechten die aan staatlozen worden toegekend bij vrijlating uit detentie en bescherming tegen hernieuwde detentie.

De Nederlandse wet voorziet in enkele procedurele waarborgen en beperkte bescherming tegen willekeurige detentie, maar er zijn aanzienlijke hiaten. Hoewel in de wet is vastgelegd dat detentie alleen als laatste redmiddel mag worden gebruikt en er een reëel vooruitzicht op uitzetting moet bestaan, wordt staatloosheid niet beschouwd als een juridisch relevant feit bij beslissingen over detentie en hoeft er geen land van uitzetting te worden vastgesteld voordat de detentie ingaat. Er bestaan alternatieven voor detentie, maar rapporten suggereren dat deze niet grondig worden overwogen voordat tot detentie wordt overgegaan. Er bestaan een tijdslimiet, recht op rechtsbijstand en gerechtelijk toezicht. In de praktijk echter zijn er belemmeringen bij de toegang tot rechtsbijstand en er wordt bij vrijlating geen verblijfsstatus toegekend, waardoor mensen het risico lopen om onmiddellijk opnieuw in hechtenis te worden genomen.

  • Bevoegdheden voor vreemdelingenbewaring zijn bij wet geregeld. De gronden voor detentie zijn verstrekkend en omvatten het niet verlaten van Nederland na een bevel daartoe; het niet meewerken aan het proces om de identiteit of nationaliteit vast te stellen; het presenteren van verkeerde of tegenstrijdige informatie; het vernietigen van documenten; en de noodzaak om aanvullend onderzoek te doen naar iemands identiteit. Het is wettelijk vastgelegd dat detentie een laatste redmiddel moet zijn. De Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring bevat een ‘onderzoeksplicht’ voor de autoriteiten om alternatieven voor detentie te overwegen, maar er is geen verdere informatie beschikbaar over wat dit in de praktijk zou kunnen inhouden, en per december 2022 ligt de nieuwe wet nog steeds bij de Eerste kamer in afwachting van goedkeuring. In de praktijk, maar niet in de wet, bestaat er een reeks alternatieven voor detentie: aanzegging om Nederland te verlaten, een meldplicht in combinatie met intensief casemanagement, borgtocht om onderduiken te voorkomen, inbeslagname van documenten in combinatie met aangifte, vrijheidsbeperkende maatregelen en een alternatief voor luchthavenlounges bij vertrek. Deze zijn niet onderworpen aan wettelijke tijdslimieten of periodieke herzieningen.
  • Uit rapporten blijkt dat detentie in de praktijk niet alleen als laatste redmiddel wordt gebruikt.
  • Hoewel het niet noodzakelijk is om een land voor uitzetting te bepalen voorafgaand aan beslissingen over detentie, is detentie alleen toegestaan wanneer er een reëel vooruitzicht op uitzetting bestaat en zal deze worden beëindigd wanneer er niet langer een redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat.
  • In 2020 stelde de regering een amendement voor om de toegestane opsluiting in detentiecentra uit te breiden, wat werd bekritiseerd door Amnesty International en de Ombudsman.
  • Staatloosheid wordt niet beschouwd als een juridisch relevant feit en er is geen procedure om staatloosheid vast te stellen waarnaar kan worden verwezen.
  • De wet bepaalt dat detentie alleen als laatste redmiddel mag worden gebruikt en vereist dat er aandacht wordt besteed aan kwetsbaarheid. De term 'kwetsbaarheid' is echter niet gedefinieerd in de wet en er worden geen concrete stappen ondernomen om de beoordeling van kwetsbaarheid bij de beslissing om iemand vast te houden te verbeteren.
  • De voorgestelde nieuwe Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, die in behandeling is bij de Eerste Kamer, bepaalt dat kwetsbaarheid moet worden meegewogen in de beslissing over detentie en dat niet tot detentie zal worden besloten als dit onredelijk bezwarend zou zijn.
    In de praktijk worden staatlozen in bewaring gesteld, maar dit moet worden afgeleid uit algemene statistieken omdat er geen vaststellingsprocedure voor staatloosheid is en gegevens niet volledig betrouwbaar zijn. Het gebruik van detentie is sinds 2015 jaar na jaar toegenomen. In 2021 werden 2.929 mensen in vreemdelingenbewaring geplaatst en 3.005 mensen vrijgelaten. In een rapport van de Ombudsman uit 2020 staat dat sommige mensen regelmatig opnieuw worden vastgezet omdat ze niet meewerken of omdat het land van terugkeer weigert iemand op te nemen.
  • De maximale detentieperiode is achttien maanden (zes maanden plus twaalf maanden verlenging). Gedetineerden worden automatisch vrijgelaten aan het einde van deze maximumtijd.
  • De wet bepaalt dat personen schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de redenen voor hun detentie en hoe ze de wettigheid van hun detentie kunnen aanvechten en toegang kunnen krijgen tot gratis rechtsbijstand en ondersteuning.
  • Mensen kunnen in voorlopige hechtenis worden genomen op een politiebureau, voordat ze worden overgebracht naar een detentiecentrum waar de uitzettingsprocedure wordt gestart en de initiële beslissing tot inbewaringstelling door een hulpofficier van justitie binnen vier weken (in de praktijk tien-twaalf dagen) wordt voorgelegd aan een rechtbank. De rechtbank moet binnen twee weken een beslissing nemen, waartegen beroep kan worden aangetekend. Na zes maanden is een nieuwe rechterlijke toetsing verplicht als de detentie verlengd moet worden tot maximaal nog eens twaalf maanden.
  • De Dienst Terugkeer en Vertrek speelt een sleutelrol in de beslissing om de detentie te verlengen, die gedeeltelijk gebaseerd is op hun advies. Dit betekent in de praktijk dat deze dienst belangrijke beslissingsmacht heeft in het detentie- en terugkeerproces. Gedetineerden kunnen in beroep gaan tegen de verlengingsbeslissing en kunnen op elk moment een rechter vragen om de rechtmatigheid van hun detentie opnieuw te onderzoeken, bijvoorbeeld om na te gaan of het vooruitzicht op uitzetting nog steeds bestaat.
  • Er bestaan regels en richtlijnen voor het proces van het verkrijgen van documenten, waarbij een terugkeerinterview wordt afgenomen door de autoriteiten en bezoeken aan de juiste ambassade worden geregeld en begeleid door een ambtenaar, maar de bewijslast ligt bij de aanvrager en is strikt. Het proces duurt lang en in veel gevallen wordt de aanvrager na het verstrijken van de maximale detentietermijn vrijgelaten, waarna de persoon opnieuw kan worden vastgezet.
  • Hoewel gratis rechtsbijstand beschikbaar is, zijn er in de praktijk belemmeringen gemeld, zoals een gebrek aan tolken en advocaten die vanuit detentiecentra niet bereikbaar zijn.
  • Er is geen bescherming tegen opnieuw opgesloten worden na vrijlating en onmiddellijke herdetentie is mogelijk.
  • Bij vrijlating wordt geen verblijfsstatus toegekend en mensen hebben geen toegang tot rechten, zoals sociale diensten, sociale huisvesting, welzijn, onderwijs of werk.
  • Herdetentie komt regelmatig voor en de cumulatieve tijd die in detentie wordt doorgebracht telt niet mee voor de maximale wettelijke tijdslimiet, dus in de praktijk kan detentie van onbepaalde duur zijn.
  • Een wettelijke mogelijkheid voor een staatloze, wanneer terugkeer onmogelijk is gebleken, is om een buitenschuldvergunning aan te vragen, die een jaar geldig is en jaarlijks kan worden verlengd. Het goedkeuringspercentage voor deze procedure is echter laag, omdat de bewijslast bij de aanvrager ligt die onomstotelijk moet aantonen dat terugkeer naar het land waar de aanvrager voorheen zijn gewone verblijfplaats had, of naar een ander land waarmee de aanvrager banden heeft, onmogelijk is en dat de persoon hier geen schuld aan heeft.
  • De meeste bilaterale terugkeerakkoorden met landen van herkomst bevatten een clausule over het opnieuw toelaten van voormalige inwoners die (vermoedelijk) staatloos zijn.
  • Er zijn gevallen bekend van mensen met een betwiste/onbekende nationaliteit, maar geen officieel erkende staatlozen, die zijn teruggestuurd op grond van dergelijke akkoorden, bijvoorbeeld naar Guinee en de Democratische Republiek Congo.
  • In de asielprocedure wordt, voordat een beslissing over de terugkeer van een kind wordt genomen, rekening gehouden met het recht van het kind op een nationaliteit en het genot van andere grondrechten in het land van terugkeer.

Voorkomen en verminderen

Beoordeelt de toereikendheid van de waarborgen in de nationaliteitswetgeving om staatloosheid te voorkomen en te verminderen. Hieronder vallen versoepelde naturalisatietrajecten voor staatlozen en de bescherming van kinderen die anders staatloos zouden zijn indien ze op het grondgebied of bij onderdanen in het buitenland zijn geboren, alsook te vondeling gelegde en geadopteerde kinderen. Onderzoekt de wetgeving, het beleid en de praktijk op het gebied van geboorteregistratie, waaronder toegang tot late geboorteregistratie en de maatregelen die staten hebben genomen om staatloosheid in situ te voorkomen en te verminderen. Analyseert bepalingen inzake verlies van nationaliteit en of er waarborgen bestaan met betrekking tot het afstand doen en ontnemen van nationaliteit die voorkomen dat staatloosheid kan optreden.

In Nederland zijn er volledige waarborgen om staatloosheid te voorkomen bij vondelingen en geadopteerde kinderen, maar er bestaan hiaten voor andere staatloze kinderen die op het grondgebied zijn geboren. Sommige aspecten van de geboorteregistratiewetgeving en -praktijk zijn ook problematisch, met strikte termijnen, documentatievereisten en een complexe procedure voor late geboorteregistratie. De huidige bepaling in de Nederlandse nationaliteitswetgeving voor kinderen die op het grondgebied zijn geboren en anders staatloos zouden zijn, is niet automatisch en vereist ononderbroken, rechtmatig, permanent verblijf van ten minste drie jaar, evenals bewijs dat het kind staatloos is. Dit wordt gewijzigd via nieuwe wetgeving die in oktober 2023 geïmplementeerd wordt. Kinderen van een ongehuwde Nederlandse vader en een buitenlandse moeder worden ook benadeeld door de eis dat de vader het vaderschap officieel moet erkennen voordat het kind zeven jaar oud is. Ontneming van de nationaliteit kan niet leiden tot staatloosheid, tenzij de nationaliteit middels fraude was verkregen.

  • Staatlozen die officieel als 'staatloos' geregistreerd staan, kunnen na drie jaar legaal verblijf naturalisatie aanvragen, in plaats van de standaard vijf jaar. Ze zijn ook vrijgesteld van het overleggen van een paspoort, maar ze moeten wel een geboorteakte overleggen.
  • De tarieven voor de naturalisatieprocedure zijn ook verlaagd van de standaard 970 euro naar 722 euro (2023) voor staatlozen (en vluchtelingen). De tarieven voor de 'optieprocedure' zijn 206 euro voor een volwassene (2023) en 23 euro voor een kind onder de 18 wanneer het samen met een ouder de Nederlandse nationaliteit krijgt.
  • Er zijn voor staatlozen geen vrijstellingen van de taaleis, maar alle kinderen onder de 18 zijn hiervan wel vrijgesteld.
  • Er gelden eisen met betrekking tot 'goed gedrag' en strafrechtelijke veroordelingen die voor sommige staatlozen een belemmering kunnen vormen voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) neemt een aanvraag niet in behandeling als de persoon verdacht wordt van een misdrijf en een straf kan krijgen; als de persoon in de voorgaande vijf jaar veroordeeld is voor een misdrijf; als de persoon verdacht of veroordeeld is voor een misdrijf onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag; of als de persoon deel uitmaakt van een polygaam huwelijk.
  • Er zijn meldingen van indirecte discriminatie van gemarginaliseerde groepen, zoals Roma en staatlozen, die problemen kunnen ondervinden bij het bewijzen van hun staatloosheid en/of geregistreerd staan met een 'onbekende nationaliteit' en hun identiteit moeten bewijzen met identiteitsdocumenten, waaronder een geboorteakte, die ze mogelijk niet hebben.
  • De wet voorziet erin dat kinderen die in Nederland geboren zijn en anders staatloos zouden zijn, de Nederlandse nationaliteit kunnen verwerven, maar dit gebeurt niet automatisch. Er moet een schriftelijke 'optieverklaring' worden ingevuld die ter goedkeuring wordt ingediend bij de lokale gemeente en het kind moet minstens drie jaar ononderbroken, legaal in het land verbleven hebben.
  • De staatloosheid van het kind moet worden bewezen en het moet als staatloos worden geregistreerd voordat het de nationaliteit kan verwerven. De bewijslast ligt bij de aanvrager.
  • Er bestaat geen leeftijdsgrens om de nationaliteit te verwerven voor een staatloos kind dat op het grondgebied geboren is. De kosten voor deze zogenaamde ‘optieprocedure’ bedragen 206 euro voor één persoon, en 23 euro (in 2023) voor een kind jonger dan 18 jaar wanneer het samen met een ouder Nederlander wordt.
  • Kinderen die in Nederland zijn geboren en er verblijven met internationale bescherming, die Nederlandse geboorteakten of geboorteakten van ondertekenaars van het Apostilleverdrag hebben, zijn vrijgesteld van de verplichting om paspoorten en andere documentatie te verstrekken in het naturalisatieproces.
  • De wetswijziging die later in 2023 van kracht wordt, breidt het recht om te kiezen voor de Nederlandse nationaliteit uit tot staatloze kinderen die zonder legaal verblijf op het grondgebied zijn geboren, maar zij zouden vijf ononderbroken jaren moeten wachten (terwijl het vorige voorstel in een wachttijd van tien jaar voorzag). De ouders moeten al die tijd hebben meegewerkt met de autoriteiten en er moet worden vastgesteld dat de staatloosheid van het kind niet door de ouders kan worden opgelost.
  • De overheid verstrekt openbare informatie over naturalisatieprocedures en -vereisten voor kinderen via verschillende bronnen, waaronder websites van de overheid en openbare websites. Aanvullende informatie is beschikbaar voor mensen die staatloos zijn, niet over de vereiste documentatie beschikken en voor kinderen.
  • Er zit enige flexibiliteit in de documentatie die vluchtelingenkinderen moeten voorleggen om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen.
  • Er is een wetsbepaling om aan vondelingen de nationaliteit automatisch toe te kennen. Er is geen expliciete leeftijdsgrens, maar de wetgeving gebruikt termen als ‘jonge leeftijd’ en ‘kind’, die worden geïnterpreteerd als jonger dan 18 jaar.
  • De wet beschermt een vondeling tegen staatloosheid als de ouders later worden geïdentificeerd.
  • De wet voorkomt het verlies van de Nederlandse nationaliteit na adoptie door buitenlandse ouder(s) wanneer die zou leiden tot staatloosheid, en een door buitenlandse ouder(s) geadopteerd Nederlands kind kan onder bepaalde omstandigheden de Nederlandse nationaliteit behouden.
  • De Nederlandse wetgeving maakt verschil tussen ‘sterke’ en ‘zwakke’ adoptie. Bij een ‘sterke’ adoptie worden alle wettelijke banden met de biologische ouders verbroken, terwijl dat bij een ‘zwakke’ adoptie niet gebeurt. In het laatste geval krijgt het geadopteerde kind de nationaliteit als dit wordt erkend door een Nederlandse rechter. Hoewel dit proces niet automatisch verloopt en er voorwaarden aan verbonden zijn, zijn er geen meldingen van enig risico op staatloosheid tijdens de procedure.
  • Kinderen van ouders met de Nederlandse nationaliteit hebben toegang tot nationaliteit op grond van afkomst, maar er zitten discriminerende elementen in de bepaling.
  • In het geval van een Nederlandse vader en een buitenlandse moeder die niet getrouwd zijn, moet de vader het kind officieel erkennen voordat het zeven jaar oud is. Als de Nederlandse vader het kind op of na de leeftijd van zeven jaar erkent, moet hij met een DNA-test bewijzen dat hij de biologische vader is. In de praktijk kunnen Nederlandse vaders moeilijkheden en vertragingen ondervinden bij het erkennen van hun kind wanneer de moeder geen verblijfsrechten en officiële identificatiedocumenten heeft.
  • Als een ouder de Nederlandse nationaliteit verkrijgt na erkenning van het kind, kan het kind alleen samen met de ouder de Nederlandse nationaliteit aanvragen als zij direct voor de aanvraag een permanente verblijfsvergunning hadden. Als het kind 16 of 17 jaar is, moet het ook minimaal drie jaar onafgebroken in Nederland hebben gewoond. Dit discrimineert het kind op basis van zijn verblijfsstatus.
  • De wet bepaalt dat elke geboorte op het grondgebied onmiddellijk aangegeven moet worden (wettelijk en binnen drie dagen), maar de ouders moeten een identificatiedocument verstrekken.
  • Als de ouders geen legale verblijfsvergunning of identiteitsbewijs hebben, zijn er verschillende opties voor wie de geboorteaangifte kan doen. Als het kind in het ziekenhuis wordt geboren, kan men een medische verklaring verkrijgen met geboortedatum en -uur en het geslacht van het kind. Als de moeder zich niet kan identificeren om in de geboorteakte te worden opgenomen, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de zaak doorverwijzen naar het Openbaar Ministerie (OM) en wordt de geboorteakte met haar gegevens opgemaakt in hun opdracht en volgens de instructies van het OM. De vader wordt vermeld op de geboorteakte als hij het kind wettelijk heeft erkend. Als de vader niet Nederlands is, zijn de volgende documenten vereist: de gelegaliseerde geboorteakte, de gelegaliseerde verklaring van ongehuwde staat of een kopie van de huwelijksakte en een identiteitsbewijs.
  • Alle kinderen krijgen een officieel afschrift van de geboorteakte of een internationaal uittreksel.
  • De nationaliteit van het kind wordt niet vermeld op de geboorteakte en wordt vastgesteld bij de formele inschrijving van het kind in het Nederlandse bevolkingsregister als het een legale verblijfsstatus heeft. De staatloosheid van een kind kan zonder documentair bewijs geregistreerd worden als de moeder haar nationaliteit niet kan overdragen aan het kind, maar er zijn geen waarborgen dat een kind niet geregistreerd blijft met ‘onbekende nationaliteit’. In 2020 oordeelde de Mensenrechtencommissie dat Nederland de rechten van een kind had geschonden door het geregistreerd te laten met ‘onbekende nationaliteit’ en verzocht Nederland onmiddellijk stappen te ondernemen om de zaak recht te zetten en soortgelijke situaties in de toekomst te voorkomen.
  • Er zijn geen meldingen van kinderen van wie geen geboorteaangifte kon worden gedaan vanwege de seksuele of genderidentiteit van hun ouders of omdat ze geboren waren door middel van draagmoederschap.
  • Ngo's en advocaten hebben geconstateerd dat er barrières zijn voor geboorteregistratie voor ouders die geen verblijfsstatus en geen officiële identiteitsdocumenten hebben, of die bang zijn om de autoriteiten te benaderen vanwege hun onwettige verblijfsstatus.
  • De gemeente kan informatie doorgeven aan de immigratiedienst over wijzigingen in de gegevens in het bevolkingsregister (BRP) van iedereen die legaal in het land verblijft, maar er zijn geen verplichte meldingsvereisten bij de burgerlijke stand of gezondheidsdiensten met betrekking tot ongedocumenteerden. Er is geen informatie over een duidelijk verbod op het delen van informatie met de immigratiedienst door andere organisaties.
  • Inschrijving op een latere datum is wettelijk mogelijk, maar er zijn praktische belemmeringen. Het is een lang proces, omdat een bewijs van de geboorteplaats vereist is en er kan een DNA-test nodig zijn. Het is vaak nodig om naar de rechter te stappen, wat duur en tijdrovend is. Bij een te late inschrijving wordt het Openbaar Ministerie op de hoogte gebracht en kunnen ouders een boete krijgen.
  • Er zijn geen aanwijzingen van proactieve overheidscampagnes om geboorteregistratie te promoten.
  • Er zijn betrouwbare verslagen over lage geboorteregistratiecijfers onder Roma-gemeenschappen in Nederland, evenals onder slachtoffers van mensenhandel en ongedocumenteerde migranten, omdat het registratiesysteem niet ingesteld is op deze gemeenschappen. Een rapport uit 2022 noemt enkele redenen voor gebrekkige registratie van kinderen: laaggeletterdheid, niet weten dat aangifte verplicht is, het ontbreken van identiteitsdocumenten van de ouders, discriminatie en uitsluiting. Ook kan er sprake zijn van wantrouwen jegens instellingen en gebrek aan betrokkenheid van de ambtenaren die een geboorte kunnen melden.
  • Met de implmeentatie van nieuwe wetgeving heeft de Nederlandse regering een begin gemaakt met de aanpak van de problemen rond de identificatie van staatlozen en het waarborgen van de nationaliteitsrechten van kinderen. De nieuwe wetgeving dat in 2023 door het parlement is goedgekeurd, is echter niet in overeenstemming met de internationale normen en goede praktijken inzake de bescherming van staatlozen en het voorkomen van staatloosheid.
  • Een besluit van de Mensenrechtencommissie van december 2020 verplichtte Nederland om binnen 180 dagen te rapporteren over de voortgang van de invoering van een vaststellingsprocedure van staatloosheid en de hervormingen van de nationaliteitswet. Na het antwoord van Nederland concludeerde de Mensenrechtencommissie in maart 2022 dat de regering geen maatregelen had ingevoerd om de wetgeving inzake het vaststellen van staatloosheid en de criteria voor nationaliteitsaanvragen te herzien.
  • De nieuwe wetgeving die 1 oktober 2023 van kracht wordt, bevestigt dat Nederland het voorbehoud bij de artikelen 8 en 26 van het Verdrag van 1954 in zal trekken.
  • Wat verlies van de Nederlandse nationaliteit betreft, zijn er in de meeste gevallen waarborgen om staatloosheid te voorkomen, behalve wanneer de nationaliteit door fraude is verkregen. In dit geval kan ontneming leiden tot staatloosheid.
  • Bovendien zijn er waarborgen in de wet en in de praktijk om te voorkomen dat het opgeven van nationaliteit tot staatloosheid leidt.
  • De bepalingen omtrent nationaliteitsverlies worden in de praktijk toegepast. De nationaliteit kan om nationale veiligheidsredenen ontnomen worden, maar niet als dit zou leiden tot staatloosheid.
  • Er zijn bepalingen dat de nationaliteit alleen ontnomen kan worden bij personen met een dubbele nationaliteit, wat leidt tot ongelijke behandeling tussen wie alleen de Nederlandse nationaliteit heeft en wie een dubbele nationaliteit heeft.
  • De bevoegde autoriteit voor ontneming van de nationaliteit is de minister van Justitie en Veiligheid en er is recht op beroep en rechtsbijstand om de beslissing aan te vechten.
  • Een volwassene kan zijn/haar nationaliteit niet verliezen op grond van het feit dat zijn/haar eega de nationaliteit is ontnomen. Een kind kan echter zijn/haar nationaliteit verliezen als zijn/haar ouder deze onder bepaalde omstandigheden verliest. Er is geen absolute bescherming tegen staatloosheid voor kinderen wanneer het nationaliteitsverlies van de ouder het gevolg is van fraude. De individuele belangen van het kind moeten echter zorgvuldig worden gewogen; staatloosheid kan worden gezien als een disproportioneel gevolg van het handelen van de ouder vanwege de impact die dit heeft op het recht van het kind op een nationaliteit.

Bronnen

Bibliotheek met bronnen, juridische instrumenten, publicaties en trainingsmateriaal over staatloosheid, specifiek relevant voor dit land. Meer regionale en internationale materialen alsmede bronnen uit andere landen, zijn beschikbaar in de Resourcesbibliotheek. Binnenlandse jurisprudentie kan worden geraadpleegd in de Statelessness Case Law Database (met samenvattingen beschikbaar in het Engels).

NB: deze sectie is momenteel nog in ontwikkeling. Kom snel terug voor meer informatie.

Jurisprudentie: Uitspraken en beslissingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het Hof van Justitie van de Europese Unie of VN-verdragsorganen met betrekking tot het betreffende land, die staatloosheid betreffen of van invloed zijn op de rechten van staatlozen.

Internationale en regionale verdragen: Geeft een opsomming van de vier kernverdragen over staatloosheid. Informatie over de vraag of het land partij is bij deze verdragen en relevante voorbehouden is hierboven beschikbaar onder 'Internationale en regionale instrumenten'.

Publicaties: Rapporten, instructies, bijdragen aan toezichtmechanismen voor mensenrechten en andere relevante publicaties over staatloosheid.

Opleidingsmaterialen: Opleidingsmaterialen ter ondersteuning van capaciteitsopbouw en training over staatloosheid.

Council of Europe - European Convention on Nationality (nov 1997)
United Nations - Convention on the Reduction of Statelessness (jan 1961)

ASKV, Defence for Children, ENS & ISI - Joint Submission to the Human Rights Council at UPR27 - Netherlands (sep 2016)
European Network on Statelessness - Statelessness determination and protection in Europe (sep 2021)
ENS, ASKV & Institute on Statelessness and Inclusion - Country Briefing: Statelessness and refugees in the Netherlands (jun 2019)
ASKV Refugee Support , ENS and the Institute on Statelessness and Inclusion (ISI) - Joint submission to the Committee on the Elimination of Racial Discrimination – Netherlands (jul 2021)

Latest news on Netherlands

Image for the WEBINAR: 2024 State of Play Assessment on Statelessness in Europe

WEBINAR: 2024 State of Play Assessment on Statelessness in Europe

In conversation with experts working in different countries, we presented our annual state of play assessment of key trends on statelessness in...
22 mrt 2024 / Albania / Austria / Belgium / Bosnia-Herzegovina / Bulgaria / Council of Europe / Croatia / Cyprus / Czechia / Detention / European Union / France / Georgia / Germany / Global / Greece / Hungary / International and Regional Instruments / Ireland / Italy / Kosovo / Latvia / Malta / Moldova / Montenegro / Netherlands / North Macedonia / Norway / Poland / Portugal / Prevention and reduction / Romania / Serbia / Slovenia / Spain / Statelessness determination and status / Statelessness population data / Sweden / Switzerland / Türkiye / Ukraine / United Kingdom

Netherlands passes new bills on statelessness, but concerns remain

The Netherlands has taken a significant step towards addressing the plight of stateless individuals after years of joined advocacy by ENS members and...
23 jun 2023 / Netherlands / Prevention and reduction / Statelessness determination and status

WEBINAR: 2023 State of Play Assessment on Statelessness in Europe

Join us for the online launch of our annual StatelessnessINDEX state of play assessment and hear about key trends from several experts working on the...
23 mrt 2023 / Albania / Austria / Belgium / Bulgaria / Council of Europe / Croatia / Cyprus / Czechia / European Union / France / Germany / Global / Greece / Hungary / International and Regional Instruments / Ireland / Italy / Latvia / Malta / Moldova / Montenegro / Netherlands / North Macedonia / Norway / Poland / Portugal / Romania / Serbia / Slovenia / Spain / Sweden / Switzerland / Ukraine / United Kingdom

Project funded by: